1601-1700

Den Haag 1602: De Vereenigde Oostindische Compagnie bracht de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden veel geld binnen. Op 20 maart 1602 kreeg de VOC bestaansrecht met steun vanuit de overheid. Heuse handelsvloten trokken naar het oosten. De Inheemse volkeren van Indië zagen zich geconfronteerd met een staatkundige en militaristische handelsorganisatie.

VOC

1615:
De Rijkspost der Habsburgers, vanaf 1615 als leen in het bezit van de familie Taxis (later Thurn und Taxis), oefende in de zeventiende en achttiende eeuw veel invloed uit op de posterijen in Limburg. Dit was reden genoeg voor J. Ickenroth om te Regensburg het archief van Thurn und Taxis te bestuderen en van zijn bevindingen daar en aanvullend archief- en literatuuronderzoek in zijn boek verslag te doen. Het is een met transcripties en afbeeldingen van postgerelateerde stukken verrijkt werk geworden, voorzien van kaartjes, een archieflijst, een literatuurlijst, een notenapparaat, een woordenlijst en persoons- en plaatsnamenregisters. In het voorwoord schrijft Ickenroth: ‘Het boek is niet in eerste instantie bedoeld als leesboek, maar eerder als bron van informatie voor degenen die poststukken verzamelen of in het algemeen in posthistorie geïnteresseerd zijn’. Toch laten de eerste zes hoofdstukken zich wegens hun chronologische ordening wel als geschiedverhaal lezen. Als men anno 1637 in het Spaanse Roermond met een revolutionaire uitbreiding van het stadsbodesysteem begint, komt postmeester Dulcken bij de inrichting van de lijnen naar Brussel en Keulen in aanraking met de Rijkspost van Thurn und Taxis. Hij gaat voor hen werken in het dan te Roermond opgerichte Generaal Rijksgrenskantoor. De bedoeling is een entrepôt te organiseren voor uitwisseling van brieven uit Italië en Zuid-Duitsland op Holland. Dulcken en zijn schoonzoon weten door het afsluiten van vele internationale postverdragen, Roermond tot een belangrijk kantoor te maken in het Rijkspostsysteem, dat eind zeventiende eeuw ondermeer het postverkeer in de Spaanse Nederlanden, Zuid-Duitsland en het transitoverkeer tussen Noord- en Zuid-Europa beheerst, maar tevens vaak de verbindingen tussen de steden onderling heeft veroverd op de stedelijke boden. In de achttiende eeuw komt het kantoor te Roermond in moeilijkheden door het uitbreken van de Spaanse Successie-oorlog, een onbekwame postmeester en achteruitgang van de stad. Het Rijksgrenskantoor wordt uiteindelijk te Maaseik gevestigd. De invloed van de Rijkspost in Limburg blijft overigens tot aan de Franse tijd onverminderd groot. Met hoofdstuk 6, over de Rijkspost in het Staatse Venlo, sluit het chronologische gedeelte van het boek af. Dan volgen vier hoofdstukken, handelende over en getiteld: ‘Het taxeren van brieven’, ‘Bijzonder brievenvervoer’, ‘Het personeel’ en ‘De Midden- en Noordlimburgse kantoren’. De Rijkspost in Limburg, behalve als bron van informatie, ook bedoeld om in een leemte te voorzien, verschaft de lezer heel wat feitelijkheden. Natuurlijk vindt men er beschrijvingen van postale tekens, en wie wil weten wat er in de zeventiende eeuw in Roermond met de post aan de hand was, krijgt daarvan een duidelijk beeld. Ook wie zich afvraagt welke conflicten er speelden met bijvoorbeeld Keulen, de Amsterdamse kooplieden of de Staatspost, of hoe lang de boden over de trajecten mochten doen, of hoe duur het touw was dat te Stevensweert over de wal hing en waaraan de koerier ’s nachts zijn brieven kon bevestigen, die vindt hier een antwoord. Soms laat het boek echter wat aan duidelijkheid te wensen over. Dit kan aan de formulering en het teveel aan opsomming van de steeds nieuwe contracten en regelingen in het chronologische gedeelte liggen: in die zin is het inderdaad geen leesboek. Ook mis ik uitleg en verwijzing. De woordenlijst mocht langer zijn en men heeft de informatie uit hoofdstuk 7, bijvoorbeeld over verschotten en affrankeringen, bepaald eerder nodig, om de financiële kanten van conflicten en verdragen te begrijpen. Een verwijzing daarnaar of vermelding van de paragrafen in de inhoudsopgave zou handig zijn geweest. De behandeling van de financiële aspecten van de Rijkspost is tevens wat mager: ik ben benieuwd welke geldelijke belangen er bijvoorbeeld met het kantoor te Roermond en de postlijnen op Amsterdam gemoeid waren. De berekeningen daarvan door tijdgenoten zijn jammer genoeg niet verder geëvalueerd. 88 Recensies Alles overziende, meen ik, dat Ickenroth interessant materiaal heeft opgcdolven uil de archieven van Thum und Taxis en met iets meer zorg voor de lezer helemaal in zijn opzet zou zijn geslaagd. Nu is deze bron van informatie niet altijd even toegankelijk, maar wie erin zoekt, zal vinden en bovendien: sommige post- en archiefstukken zijn werkelijk fraai.

Bron:
J. Ickenroth, De Rijkspost in Limburg (Posthistorische Studies XVII; Amstelveen: Nederlandse Vereniging van poststukken- en poststempelverzamelaars).

 

Transcriptie:

Copia
Compareerde voor mij Arnold. Van Loon openbaer notaris bij de Ed(ele) Mo(gendheden) Rade van brabant in s’ gravenhage geadmitteert, binnen de heerlijckheijt Tilborge residerende en de getuijgen nagenoemt in eijgen persoon johannes van unen out 44 jaren off daer ontrent inwonder der heerlijckheijt van Loon mij notario wel bekent, dewelcke ten versoecken van jan janssen de Cock wooende tot Tilborgh op sijne name waerheijt, eere, ende vromicheijt in recht voir dich, waerachtich ende inder daet sulcx te wesen, dat soo langen tijdt hem attestant gedencken geheught, gedurende desselfs directie de brieven uijt hollandt op den bossche, Luijck, Acken, Mastricht andere steden en dorpen coomende, voor sijne geweesene respective meesteren, namentlijck de heere Cornelis en Adriaen van Slingelandt, Franchoijs van graeff saliger, huijbert van graeff, adolff borrebagh, ende Clignet volgens ordre en aen hem ver leende schriftelijcke commissien tot Tilborgh als commies ende directeur der selver heeft waer genomen, en(de) altijt de hollansche , zeelansche en andere brieven, waeronder oock in het sorteren der selver mede verscheijde Engelsche brieven heefft bevonden, op den Bossche horende, heeft gesonden, soo aende voorsaeten als tegenwoordige postbodens selffs requiranten in desen, ende sulcx tertijdt ende wijlen toe dat die heeren respectieve postmeesters Bourebagh, Clignet mette heere postmeesters van graeff en de Meij onderlinghen over het transporteren der brieven en posterijen geaccordeert en over comen sijn geweest, gelijck sij voorn(oemd) deponent binnen de voorseijden tijdt de brieven off te retouren gecomen aen hem uijt den boscche van voorss(chreven) postbodens en hunne voor het(?) en hoorende op hollandt zeelandt en Engelant en(de) andere verscheijde plaetschen, op dordrecht heeft gesonden en(de) de heere postmeesters aldus, in sijne tijde geweest, omme gedistribeert te worden, daer ende alwaer sulcx behoorden, ………. Van wel wetenthheijt allegerende, dat hij deponent ontrent dertich jaren herwaerts, als commis ende directeur der brieven het postcomptoir tot Tilborgh met saliger sijne huijsvrouwe heefft waer genomen en bedient sijn schoonvader soo sij attestant bevint in eenige papiren tsedert de jaren 1620 tot sijne ende desselfs schoonmoeder ….  incluijs. Aldus gedaen en gepassert binnen Tilborgh op huijden den 17e novemb(ris) 1685 ter presentie van jacob huijsmans ende adam goijert adams beide inwoonderen alhier als getuijgen hiertoe versocht, die de minut deses belieffens den heer attestant en mij not(aris) voor(schreven) mede hebben ondertekent.

Bronvermelding

Regionaal Archief Tilburg
Notariële archieven
Notarieel archief Tilburg,
Bron: boek, Deel: 35,
Periode: 1679-1715,
Tilburg, archief 115,
inventaris­num­mer 35,
1685, ARNOLD VAN LOON,
Protocollen, 1685, folio 44v

1621: Hugo de Groot (Delft, 10 april 1583 – Rostock, 28 augustus 1645) was een Nederlands rechtsgeleerde en schrijver. Prins Maurits, die zelf zei dat hij niet veel verstand had van theologie zag in de godsdiensttwisten een kans om de vredespartij buitenspel te zetten, dat wil zeggen degenen die voor de omzetting van het Twaalfjarig Bestand met Spanje in een permanent vredesverdrag waren. Het bestand had voor hem als legeraanvoerder geleid tot verlies van veel macht en aanzien en derving van buitgeld.In augustus 1618 wist de prins dankzij de kwestie van de waardgelders de machtsstrijd in zijn voordeel te beslechten. Van Oldenbarnevelt en De Groot werden op 29 augustus 1618 gevangengenomen. Gilles van Leedenberch pleegde enkele dagen later zelfmoord, Van Oldenbarnevelt werd ter dood veroordeeld en terechtgesteld. Een college van 24 rechters veroordeelde de remonstrant Hugo de Groot ‘ter eeuwige gevangenisse’. Aanvankelijk werd hij te Den Haag in hechtenis gehouden, maar op 5 juni 1619 werd hij overgebracht naar Slot Loevestein, toen een staatsgevangenis, later gevolgd door zijn vrouw Maria van Reigersberch en hun dienstmeisje Elselina van Houweningen.
Op 22 maart 1621 ontsnapte Hugo uit Loevestein. Op deze dag was het jaarmarkt in Gorinchem, en de gevangenisbaas was weg. Maria legde met Elselina de boeken in het bed, zodat het net leek of Hugo ziek was. Met alleen zijn ondergoed en zijden kousen aan kroop hij in de kist. Elselina ging met de soldaten mee naar Gorinchem om de kist in de gaten te houden. Eenmaal bij de familie aangekomen stapte Hugo eruit om ijlings in metselaarskleren naar Antwerpen te vluchten. Vandaar vertrok hij naar Parijs.

Bron: Wikipedia 2016

Hugo de Groot

1623: De eerste geregistreerde geboorten binnen de familie Boyen in As werden tussen 1618 en 1633 genoteerd in het gezin van Gerardus Boyen en Mechtildis Lemmens. Bij de geboorte van Georgius in 1623 was ene Georgius den Bode peter. In het plaatselijke dialect was “de booi” de gerechtsbode en in As troffen we generatie na generatie leden van de familie Boyen/Boijen of Baijen aan vermeld als bode of voerman. Joris Boijen (gedoopt als Georgius in 1633) kreeg volgens de burgemeestersrekeningen van 1685 één gulden uitbetaald voor “een paert gedaen tot op de bessemer met een koutse”. Hij bracht dus een paard met koets naar het gehucht Bessemer onder Zutendaal. In 1702 was het diens zoon, Jan Joorissen (= Jan, de zoon van Joris) die 9 gulden uitbetaald kreeg “van dat hij met sijn peerdt naer eijndthoven was geweest, 3 dagen uijtgebleven”. De familie Boijen woonde reeds in 1648 in As op een kruispunt van wegen zoals dit door Jos Molemans vermeld werd in zijn Toponymie van As, uitgegeven in 1976. As lag centraal tussen de Luikse steden Bree en Bilzen op een grotere verbinding naar Maastricht en Luik. Ook vanuit Hamont passeerde men er in die richting. Alhoewel we het niet in de archieven konden vaststellen zou het logisch kunnen zijn dat Joris Boijen zowel de verbinding naar Hamont als naar Pietersheim voor zijn rekening nam.

 

 Bron: Het boek “Hamont. De geheimen van zijn brievenpost. Achel op een kruispunt van de diligences” auteurs Guido Tijskens en Luk Van de Sijpe, pag 24, Hamont.

1627: De Prins in Oudshoorn als Centraal postverwisselkantoor.
Centraal postverwisselkantoor
Ergens in 1642 of 1643 komt Laurens Monde te overlijden. Het jongste kind is nog geen jaar oud als Hester Salomons
een noodsprong lijkt te doen.
Ze trouwt op 14 juni 1643 met de vijf-en-twintig jaar jongere Cornelis Stevensz van Steekelenburgh, bode
van Oudshoorn. De ambachtsheer van Oudshoorn, Dirck de Vlaming, overlijdt
in datzelfde jaar en wordt opgevolgd door zijn voortvarende zoon Cornelis.
Vanaf 1646 komen er eindelijk vredesbesprekingen op gang.
Er wordt een veilige postverbinding voor deze onderhandelingen gezocht tussen Den Haag en Münster.
Herberg De Prins wordt een van de tussenstations waar een postknecht en een paard gereed gehouden moeten worden.
Het duurt nog tot 1648 voordat het vrede is.
Hester en Cornelis weten hun tussenstation uit te bouwen tot een centraal postverwisselkantoor
met ritten op de grote Hollandse steden. De gunstige ligging aan de Rijn, op een
kruispunt van (water-) wegen, heeft daar zeker toe bijgedragen, maar ongetwijfeld ook alle contacten
die Laurens Monde al had met bestuurders van deze steden en met Cornelis de Vlaming als burgemeester
van Amsterdam in het bijzonder.
De herberg wordt een belangrijke werkgever in dit stukje Aarlanderveen aan de Rijn.
Op 27 mei 1653 gaat weduwnaar Cornelis Stevens van Steeckelenburgh in ondertrouw
met buurmeisje Aechien Willemsdr Valck. Hester is blijkbaar overleden.
De Rijn als trekvaart
Het lijkt erop dat Machteld Monde, oudste dochter van Laurens en Hester, De Prins heeft geërfd.
Ze trouwt rond 1652 met de niet onbemiddelde Maerten Roeten van Heijningen, die
nu de bode van Oudshoorn wordt.
Hun eerste twee kindjes halen helaas het eerste jaar niet. In 1656 koopt Cornelis de Vlaming een ‘sniep’ grond
van Aarlanderveen, waardoor de grens tussen beide heerlijkheden van de Heul naar de Aar verhuist en herberg
De Prins op Oudshoorns grondgebied komt te liggen. Economisch gezien een handige zet van de Amsterdamse
burgemeester, want beide plaatsen hebben baat bij de groeiende posterijcontacten.
Tussen 1632 en 1664 worden er in rap tempo nieuwe verbindingsroutes via het water gemaakt:
trekvaarten met jaagpaden.
De trekschuit komt in zwang. Op 15 mei 1657 verschijnt er een advertentie in de ‘Ordenarisse Middel-weeckse
courant’. Er komt een aanbesteding voor de aanleg van jaagpaden,
verbreding van kaden en verkorting van de vaarroute Amsterdam-Gouda v.v. Nadere informatie hierover wordt
verstrekt op het Stadhuis van Gouda en….

ten buijse van Marten Roeten, boode van Outs-boeren; woonende
aen’t Aerbruggetie in de Prins, over den Dorpe van Alphen gbelegen aen den Rhijn.

Er zal o.a. een rechte vaart gegraven worden, omdat de bochtige Aar en de nauwe Aarsluis
niet geschikt zijn voor dit type vervoer (het Aarkanaal). In 1664 wordt het laatste jaagpad van het netwerk
in gebruik genomen langs de inmiddels tot trekvaart omgevormde Rijn tussen Leiden en Utrecht.

1637:
Oudste melding herberg De Prins
Het is tegen het einde van de Tachtigjarige Oorlog, in 1637, als ene Laurens
Monde terecht staat voor de Hoge Raad. Hij heeft in opdracht van de
steden Dordrecht, Gouda en Haarlem met een groepje gewapende mannen
het kerksluisje in de Kerkvaart van Aarlanderveen vernield.
In een verslag van deurwaarder Jan van Tongeren staat dat hij op 19 oktober 1637 de dagvaarding
heeft overgebracht op de vrouw van Laurens Monde:

‘… gevonden in den Ambachte van Outsboorn, ontrent den Dorpe
van Alpben. ter woonplaetse van Laurens Monde, Herbergier in de Prins aldaer … ‘.

Deze akte is tot nu toe het oudste bewijs dat het bestaan van herberg
De Prins teruggaat tot het begin van de 17e eeuw.

1637:
De Rijkspost der Habsburgers, vanaf 1615 als leen in het bezit van de familie Taxis (later Thurn und Taxis), oefende in de zeventiende en achttiende eeuw veel invloed uit op de posterijen in Limburg. Dit was reden genoeg voor J. Ickenroth om te Regensburg het archief van Thurn undTaxis te bestuderen en van zijn bevindingen daar en aanvullend archief- en literatuuronderzoek in zijn boek verslag te doen. Het is een met transcripties en afbeeldingen van postgerelateerde stukken verrijkt werk geworden, voorzien van kaartjes, een archieflijst, een literatuurlijst, een notenapparaat, een woordenlijst en persoons- en plaatsnamenregisters. In het voorwoord schrijft Ickenroth: ‘Het boek is niet in eerste instantie bedoeld als leesboek, maar eerder als bron van informatie voor degenen die poststukken verzamelen of in het algemeen in posthistorie geïnteresseerd zijn’. Toch laten de eerste zes hoofdstukken zich wegens hun chronologische ordening wel als geschiedverhaal lezen. Als men anno 1637 in het Spaanse Roermond met een revolutionaire uitbreiding van het stadsbodesysteem begint, komt postmeester Dulcken bij de inrichting van de lijnen naar Brussel en Keulen in aanraking met de Rijkspost van Thurn und Taxis. Hij gaat voor hen werken in het dan te Roermond opgerichte Generaal Rijksgrenskantoor. De bedoeling is een entrepôt te organiseren voor uitwisseling van brieven uit Italië en Zuid-Duitsland op Holland. Dulcken en zijn schoonzoon weten door het afsluiten van vele internationale postverdragen, Roermond tot een belangrijk kantoor te maken in het Rijkspostsysteem, dat eind zeventiende eeuw ondermeer het postverkeer in de Spaanse Nederlanden, Zuid-Duitsland en het transitoverkeer tussen Noord- en Zuid-Europa beheerst, maar tevens vaak de verbindingen tussen de steden onderling heeft veroverd op de stedelijke boden. In de achttiende eeuw komt het kantoor te Roermond in moeilijkheden door het uitbreken van de Spaanse Successie-oorlog, een onbekwame postmeester en achteruitgang van de stad. Het Rijksgrenskantoor wordt uiteindelijk te Maaseik gevestigd. De invloed van de Rijkspost in Limburg blijft overigens tot aan de Franse tijd onverminderd groot. Met hoofdstuk 6, over de Rijkspost in het Staatse Venlo, sluit het chronologische gedeelte van het boek af. Dan volgen vier hoofdstukken, handelende over en getiteld: ‘Het taxeren van brieven’, ‘Bijzonder brievenvervoer’, ‘Het personeel’ en ‘De Midden- en Noordlimburgse kantoren’. De Rijkspost in Limburg, behalve als bron van informatie, ook bedoeld om in een leemte te voorzien, verschaft de lezer heel wat feitelijkheden. Natuurlijk vindt men er beschrijvingen van postale tekens, en wie wil weten wat er in de zeventiende eeuw in Roermond met de post aan de hand was, krijgt daarvan een duidelijk beeld. Ook wie zich afvraagt welke conflicten er speelden met bijvoorbeeld Keulen, de Amsterdamse kooplieden of de Staatspost, of hoe lang de boden over de trajecten mochten doen, of hoe duur het touw was dat te Stevensweert over de wal hing en waaraan de koerier ’s nachts zijn brieven kon bevestigen, die vindt hier een antwoord. Soms laat het boek echter wat aan duidelijkheid te wensen over. Dit kan aan de formulering en het teveel aan opsomming van de steeds nieuwe contracten en regelingen in het chronologische gedeelte liggen: in die zin is het inderdaad geen leesboek. Ook mis ik uitleg en verwijzing. De woordenlijst mocht langer zijn en men heeft de informatie uit hoofdstuk 7, bijvoorbeeld over verschotten en affrankeringen, bepaald eerder nodig, om de financiële kanten van conflicten en verdragen te begrijpen. Een verwijzing daarnaar of vermelding van de paragrafen in de inhoudsopgave zou handig zijn geweest. De behandeling van de financiële aspecten van de Rijkspost is tevens wat mager: ik ben benieuwd welke geldelijke belangen er bijvoorbeeld met het kantoor te Roermond en de postlijnen op Amsterdam gemoeid waren. De berekeningen daarvan door tijdgenoten zijn jammer genoeg niet verder geëvalueerd (bladzijde 26 en noot 61). 88 Recensies Alles overziende, meen ik, dat Ickenroth interessant materiaal heeft opgcdolven uil de archieven van Thum und Taxis en met iets meer zorg voor de lezer helemaal in zijn opzet zou zijn geslaagd. Nu is deze bron van informatie niet altijd even toegankelijk, maar wie erin zoekt, zal vinden en bovendien: sommige post- en archiefstukken zijn werkelijk fraai.

Bron:
J. Ickenroth, De Rijkspost in Limburg (Posthistorische Studies XVII; Amstelveen: Nederlandse Vereniging van poststukken- en poststempelverzamelaars).