1712: Toen Johanna Beefting in februari 1712 overleed, haastte Borbaghs (Borrebagh) zoon zich een overschrijving van het postmeestersambt op zijn naam te krijgen, maar die vlieger ging niet op.

Burgemeesteren vonden, dat een burger van Gorinchem die post moest bekleden en dat klonk aannemelijk. Er zat echter wel een addertje onder het gras. Zij hadden een benoeming op het oog, die geheel paste in hun systeem van vriendjespolitiek. In de vergadering van 12 maart 1712 benoemden zij in die belangrijke functie Adriaan Cornelis Verboom, heel toevallig de oudste zoon van mr.Adriaan Verboom, één van de twee burgemeesters die de benoeming deden. Als dan nog in aanmerking wordt genomen, dat zoonlief net 13 jaar oud was, komt de benoeming in een vreemd daglicht te staan. In naam was Adriaan Cornelis nu de Gorinchemse postmeester, die dan ook het genot had van de uit het ambt voortvloeiende inkomsten, maar gedurende zijn minderjarigheid nam zijn edelachtbare vader het ambt waar. Dat kon ook moeilijk anders, want de jeugdige postmeester had ten tijde van zijn benoeming vast nog niet de Latijnse school doorlopen. In 1717 trok hij naar Leiden voor zijn juridische vorming aan de universiteit. Meerderjarig geworden trad Adriaan Cornelis Verboom zelf als postmeester op, Wellicht had hij elders nog andere besognes, want in 1734 vroeg hij wegens uitstedigheid waarneming van het postmeestersambt door een jongere broer die ondermeer zitting had in de vroedschap.

Bron