In 1752 dragen de regenten van de grote steden hun postale rechten over aan de Staten van Holland en West-Friesland. (het tegenwoordige Zuid- en Noord Holland). De Staten kregen tevens het recht om in de opengevallen plaatsen postmeesters aan te stellen. Om tot een goede organisatie te komen, was het nodig om de in functie zijnde postmeesters uit te kopen. Zij kregen daarvoor een ruime jaarlijkse uitkering voor het leven en ook de steden kregen een vergoeding voor derving van hun postale inkomsten. Op 24 april 1754 werden hem zijn eigen posterijen op de omliggende dorpen ontnomen.
Zoals reeds geschreven kwamen iedere nacht in het Generaal Comptoir tussen één en twee uur de postiljons uit vijf richtingen samen om hun malen (post) te wisselen.
Dat waren:

1) die van Amsterdam, met schippersbrieven op Rotterdam en Delft.
2) die van Gouda, met de langs de route van Hamont af, mee gegeven brieven, waarbij ook die van Dordrecht.
3) die van ’s-Gravenhage, met de brieven van Leiden, Haarlem, Delft en Noordholland.
4) die van Rotterdam, met de brieven van Schiedam en schippersbrieven op Amsterdam.
5) die van Utrecht, welke knooppunt van postwegen op zich was, via Woerden welke postkantoor eigendom was van Utrecht, met de brieven van oost Nederland.
Omdat de wisseling van de post in een herberg plaatsvond en er tijdens de wachttijden nogal eens sterke drank werd genuttigd,  leidde dit tot nalatigheden en andere tekortkomingen ten aanzien van de postbezorging en postvervoer. Dat leidde er uiteindelijk toe dat bij een resolutie van 7 april 1758 werd bepaald, dat er een pand moest worden aangekocht dat louter en alleen ten dienste zou staan als een verwissel- en postkantoor, met daarbij tevens de woningen voor beide commiezen en stalling voor de paarden van de aankomende en de vertrekken de postiljons, met daarbij een goede wachtruimte voor de postiljons zelf. Als toelichting werd vermeld dat deze huisvestiging NIET in een herberg moet zijn, zodat de expeditie werd vertraagd.
Het duurde even voordat er genoeg geld was ingezameld, maar in 1761 werd een pand aangekocht dat was gelegen aan de overzijde van de Oude Rijn, dus aan de westoever en in het dorp Alfen. Het betrof een bouwvallig pand naast de noordelijke uitloop van het Omleidingskanaal in de Dorpsstraat.
Op 1 december 1763 vond een belangrijke modernisering van het postverkeer plaats door de in gebruik name van postwagens, in plaats van het tot dan gebruikelijke vervoer van postzakken te paard door de postiljons. Deze eerste postwagens waren nog niet overdekt en zo kon het gebeuren, dat door onvoorzichtigheid van de postiljon, die de vonken uit zijn pijp in de kar liet waaien,  waardoor de brieven totaal verkoold in Alphen aankwamen. Sedert die tijd besloot men de karren af te dichten.
Ondanks het feit dat de postwisseling niet meer in een herberg plaatsvond, bleek men wel bereid om de wachtende postiljons te voorzien van een hartige slok. Aan de Hoofdcommies van Alfen werd in 1788 zelfs een vergoeding toegekend “wegens de verstrek-king van jenever en bier voor vijf postiljons, een voerganger en de bestelder”. In die tijd werd er gewerkt van ’s avonds 10 uur tot ’s nachts 3 uur en alles gebeurde bij kaarslicht.
In 1771 werd het bouwvallige pand afgebroken en op dezelfde plaats verrees in 1774 een posthuis, met stallen. De nabij gelegen brug over het Omleidingskanaal kreeg in de loop van de tijd de naam “Postburg”, een naam die nu nog steeds als zodanig geldt, In 1819 werd het pand verkocht aan notaris J.J. Ooykaas. Deze toverde het posthuis om tot een buitenhuis en gaf het de naam “Ons Genoegen”. Later werd het perceel afgebroken en verrees er een fabriek die jam en vruchtensappen maakte. Maar tussen 1774 en 1819 gebeurde er nog wel het een en ander, want de Franse bezetter had hele andere plannen met de locatie.
Tijdens de Franse bezetting was het posthuis geconfisqueerd door de genoemde bezetters en werd het enige tijd gebruikt als kazerne en fourage magazijn voor de in Alphen gelegerde Kozakken. Gedurende deze tijd werden de posterijactiviteiten uitgevoerd in een naastgelegen pand, zijnde een kleine boekwinkel van Coenraad Alexander Kluit. In 1799 besloot de toenmalige volksvertegenwoordiging, dat de Posterijen voortaan “nationaal” zouden zijn. Het waren opnieuw de postale inkomsten, waar het in eerste instantie om ging. En dit maal ten behoeve van de nationale kas.
De eerste Nederlandse Postwet trad in 1807 in werking en regelde in hoofdzaak kwesties als tarieven en postrecht (postmonopolie). Voor het eerst werd voor het gehele land een algemeen geldend port vastgesteld. Dit bleef bepaald naar afstand en gewicht.Nieuw waren de verlaagde tarieven voor drukwerken, kranten, monsters en geldzendingen. Wel beschouwd een prille, voorzichtige doorbraak in de richting van een maatschappelijke functie van de Posterijen.
In 1823 verliet de posterijen de kleine boekwinkel en betrok een groter pand iets verderop in de Dorpsstraat, naast de Hervormde Kerk. Hier verbleef men tot 1871, in verband met de toenemende drukte werd besloten tot een verhuizing. Enige panden verderop in dezelfde Dorpsstraat gat men in een nog groter pand de nering voortzetten. Hier werd naast de post tevens een telegraafkantoor gevestigd.
Per 10 mei 1905 was de officiële naam van de gemeente ‘Alfen’ veranderd in Álphen’.
In 1918 worden de gemeentes Alphen, Oudshoorn en Aarlanderveen samengevoegd tot één
gemeente en gaan vanaf dat moment verder onder de naam ‘Alphen aan den Rijn’.

Bron:
N. Nieumeijer

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *