1659: Langzamerhand kwamen de grootere steden op het denkbeeld om boden aan te stellen tot het vervoer van brieven langs verschillende routen. Deze moesten een som als borg stellen voor de goede bezorging der hun toevertrouwde zendingen, want in den beginne reisden zij alleen persoonlijk. Later werden ook in eenige steden overheden van boden aangesteld, die voor plaatsvervangers zorgden, indien de boden door de een of andere oorzaak verhinderd waren hun dienst waar te nemen. Zonder toestemming van den Magistraat mocht het briefporto niet verhoogd worden. Het vervoer te water, dat lang een groote plaats in het verkeer had ingenomen, bleek langzamerhand niet meer te voldoen, als niet vlug genoeg zijnde voor de brieven-posterij.
Iedere stad, die vroeger eigen boden had, richtte nu eigene postkantoren op, meestal verscheidene voor de verschillende routen, en stelde daarbij eigen beambten aan met karren en paarden. De stad trok rijke inkomsten uit het vervoer der post

Wij zijn nu in de gelegenheid het een en ander mede te deelen omtrent de eerste geregelde postverbinding door een bode te paard onderhouden tusschen de twee belang-
rijkste steden van de Republiek der Vereenigde Nederlanden Amsterdam en ’s Gravenhage.
Een document, dat in het Haagsch gemeente-archief berust, licht ons in omtrent de bepalingen, die werden vastgesteld ter verzekering van den geregelden postdienst tusschen de twee genoemde steden en de verplichtingen, waaraan de bode te paard zich te houden had.

AFSPRAKEN
Op den 29 Juli 1659 werd een zekere Adriaen van Bergen door de burgemeesters van den Haag aangesteld tot postmeester, of zooals men het toen nog noemde tot bode te paard tusschen Amsterdam en den Haag.
Een nauwkeurige gedragslijn werd voorgeschreven onder leiding van de Amsterdamsche burgemeester Andries de Graeff.
1-De brieven, die men wenschte te verzenden, moesten bezorgd worden, ter plaatse door de vroedschap aan te wijzen.
2- De brieven moesten aldaar gepakt worden in een valies of leeren zak, opdat ze onbeschadigd overgebracht zouden kunnen worden.
3- Elken avond ten half tien als de boom gesloten werd, moest een bode te paard van Amsterdam naar Haarlem rijden. Aldaar moest hij afstijgen en te voet langs den
Singel gaan, alwaar hij een boot gereed zou vinden om hem over het Spaarne te zetten. Aan de overzijde bij de Houtpoort stond dan een frisch paard gereed, waarmede hij tot Lisse moest rijden.
Te Lisse moest de Amsterdamsche bode zijn Haagschen Collega afwachten om hunne respectieve brievemalen te verwisselen. Was dit geschied dan moest de Amsterdam-
mer de terugreis naar Amsterdam aanvaarden, alwaar hij niet later dan te vijf uur in den morgen mocht aankomen.
4- De Haagsche bode moest elken avond met klokslag tien uren den Haag verlaten, en was gehouden daar terug te zijn tegen vijf uur in den morgen.
Zoodra de boden de plaats hunner bestemming bereikt hadden, moesten de pakketten geopend en de inhoud met den meesten spoed besteld worden.
5- Het briefport voor elken enkelvoudigen brief werd bepaald op drie stuivers mits dat de bezorging daarvan des zomers vóór 7 uur en des winters vóór 8 uur geschied was. Had de bestelling later plaats dan mocht slechts twee stuivers port geheven worden. Van 20 Maart tot 20 September gold als zomer en het overige deel van het jaar als winter.

Bron:
Biema

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *