1584: Juli 1584, Delft. Bijna twintig jaar nadat de eens zo flamboyante en vitale Willem van Oranje aan het hoofd had gestaan van de Opstand tegen de Spaanse overheersers, was hij nu een oude man die nog maar twee jaar tevoren was ontsnapt aan een aanslag op zijn leven. Wat heet ontsnapt? De prins was in zijn wang geschoten, waarna zijn derde vrouw Charlotte de Bourbon maandenlang een loden kogeltje in zijn mond heeft vastgehouden om de wond te doen dichten. De Zuidelijke Nederlanden leken definitief verloren te zijn gegaan en de Opstand in het Noorden leek ook onhoudbaar na de militaire successen van de Spanjaarden.

Willem was dan ook zeer verheugd toen een jonge Franse edelman zijn diensten aanbood. Om zijn loyaliteit te bewijzen had deze jongeman zelfs het zegel van de generaal in Spaanse dienst Pieter Mansfelt meegenomen. Hiermee zou de prins allerlei valse documenten en paspoorten kunnen fabriceren.

Niets deed vermoeden dat deze jonge Fransman, genaamd Balthasar Gerards, zijn latere moordenaar zou zijn. De streng katholieke Balthasar had zich tot doel gesteld de ketter en onruststoker Oranje voor eens en altijd uit te schakelen nadat hij van de laatste mislukte aanslag had vernomen. Willem was al in 1580 door de Spaanse koning Filips II vogelvrij verklaard en had een flinke prijs op zijn hoofd staan.

Begin mei van het jaar 1584 kwam Balthasar aan in Delft en nam hij zijn intrek in herberg De Diamant in de Choorstraat op een paar honderd meter van het Prinsenhof, waar Willem verbleef. Onder de schuilnaam François Guyon begaf hij zich met een brief voor de prins naar het Prinsenhof waar Willem en zijn adviseur De Villiers hem ontvingen. Dezen zagen wel iets in de jongeman en stuurden hem naar Frankrijk om hun bondgenoten van het zegel van Mansfelt te voorzien. Hoewel Balthasar hier niet op gerekend had, zat het hem wel mee dat de prins hem een flinke portefeuille had meegeven als reiskostenvergoeding. Het was van dit geld dat Balthasar twee pistolen kocht, notabene van een van de lijfwachten van de prins.

De moord

Een maand later trok Balthasar op dinsdag 10 juni naar het Prinsenhof met de eis dat hij de prins wilde spreken. Willem was net aan het lunchen met zijn vrouw Louise en de burgemeester van Leeuwarden toen hij van het verzoek vernam. Hij meldde dat hij Balthasar na het eten te woord zou staan. Hierop keerde Balthasar terug naar de Diamant om zijn pistolen te halen waarna hij de prins onder aan de trap in het Prinsenhof opwachtte.
Toen Willem rond half twee uit de eetzaal kwam en zijn voet op de eerste trede van de trap zette schoot Balthasar hem van dichtbij in de zij en de borst, waarop hij in elkaar zakte en zijn vermeende beroemde woorden sprak: (vertaald uit het Frans) “God, wees mijn ziel genadig, ik ben zeer gewond, Heere God, wees mijn ziel en dat van dit arme volk genadig”) Recentelijk onderzoek heeft uitgewezen dat hij waarschijnlijk te gewond was om nog een dergelijke volzin uit te kunnen spreken. Niet alleen leek de Opstand op sterven na dood, het had nu ook zijn geestelijk vader verloren.

Balthasar’s straf

Balthasar werd, zelfs voor die tijd, uitzonderlijk wreed behandeld en bestraft. De eerste nacht werd hij bij wijze van verhoor met roeden geslagen waarna de wonden met honing werden ingesmeerd opdat een bok met “zijne scherpe tong al leckende zijn vel metten honich afschrabben soude”. Gelukkig voor hem hield de bok niet zo van honing vermengd met bloed. De rest van de nacht werd hij met zijn handen aan zijn voeten gebonden en werd een gewicht van 300 pond aan zijn grote teen gehangen. Vervolgens kreeg hij schoenen aan van ongelooid hondenleer en werd hij voor een groot vuur gezet waarop zijn schoenen krompen en zijn voeten brandden. Ook werden gloeiende fakkels onder zijn oksels gehouden en werden naalden en spijkers tussen zijn nagels gestoken. Tijdgenoten verbaasden zich destijds al over het feit dat Balthasar geen krimp zou hebben gegeven. Op geen enkel moment heeft hij een verklaring afgelegd.

Zijn terechtstelling ging er niet minder pijnlijk aan toe. In de bloemrijke verwoordingen van het vonnis : “…omme aldaer eerst zijn rechterhant, daer hy het voorsz. verradisch moordadighe feyt mede bedreven heeft, met een gloeyende toesluytende yzer geschroyet ende afghebrant te worden, ende dat daer naer met gloeyende tanghen tot ses reysen ende verscheyden plaetsen so aen aermen, beenen, en t’gheen daer sijn lichaem meest met vleesch becleedt is, het vleesch uutgebrant en afghenepen sal worden, ende dat hij daer nae levendich aen vier quartieren ghehouden sal worden, beghinnende van onderen ende ten laesten hem den buijck opgesneden ende zijn hart levendich uuijtgenomen ende in sijn ansichte geworpen ende daernae zijn hooft affgehouden zal worden ende dat zijn vier quartieren opten bolwercken van der Haechpoorte, Oostpoorte, Ketelpoorte ende Waterslootschepoorte deser stede uuijtgehangen ende zijn hooft opte Schooltoorn achter het logement des voornoemden heeren Prince op een staecke gestelt, sullen worden, verclarende alle syne goeden geconfisqueert ten proffijte van den Heer.”

Verre van het einde

Het einde van Willem van Oranje betekende gelukking geenzins het einde van de Opstand. Het Spaanse bankroet als gevolg van de oorlogsinspanningen in de Nederlanden en de militaire kwaliteiten van Willem’s zoon en opvolger prins Maurits bleken voldoende voor de geboorte van een van de rijkste en machtigste naties van de Vroegmoderne Tijd.

Het Prinsenhof in Delft is bij uitstek geschikt om deze geschiedenis te herbeleven. Niet alleen zitten de kogelgaten van de moord nog altijd in de muur, er is tevens het Prinsenhof museum gevestigd. Hier wordt een interessant beeld gegeven van de Tachtigjarige Oorlog en het leven in Delft in de zeventiende eeuw.

Bron: If then is Now 2016

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *